Reïntegreren doe je samen!

Het komt regelmatig voor dat ik in een dossier wordt geconfronteerd met een onwelwillende of onbegrijpende werkgever. Voor de cliënt, die als gevolg van letsel arbeidsongeschikt is geraakt, is dit een extra stress factor die het verdere herstel en het verloop van de zaak negatief beïnvloedt.

Dat een medewerker als gevolg van een letselschade arbeidsongeschikt raakt is voor een werkgever een vervelende situatie. De werkzaamheden moeten worden opgevangen of zelfs uitbesteed, terwijl de werkgever die kosten moet dragen en de verplichting heeft om het loon van de arbeidsongeschikte door te betalen.

Voor een werkgever is het dus van belang de medewerker goed te begeleiden zodat de periode van arbeidsongeschiktheid zo kort mogelijk is. In de meeste gevallen is er al vrij snel contact met de bedrijfsarts, die in overleg met de medewerker en de werkgever beoordeelt op welke wijze de reïntegratie kan worden aangepakt.

De bedrijfsarts heeft een centrale rol waarin deze moet beoordelen, in welke mate de medewerker in staat is de werkzaamheden weer op te pakken en welk tijdpad daarbij wordt gevolgd.

Waar de medewerker zich primair richt op herstel en reïntegratie, is het belang van de werkgever er op gericht dat dit zo snel als mogelijk gebeurt. Weliswaar kan de werkgever een gedeelte van het doorbetaalde loon en de reïntegratie kosten verhalen, maar de volledige terugkeer van de werknemer heeft natuurlijk de voorkeur.

De afstemming tussen medewerker en werkgever gaat wringen wanneer er onvoldoende begrip is voor de situatie van de arbeidsongeschikte medewerker. Dat ontstaat meestal wanneer het langer gaat duren of als het letsel dat de medewerker heeft opgelopen wat meer diffuus is, zoals bij nekklachten als gevolg van een whiplash. In die situatie zijn er vaak problemen in de communicatie en voelt de medewerker zich onder druk gezet om weer te gaan werken.

Het lijkt dan ook alsof de belangen tegenstrijdig worden, waarbij de werkgever nog onvoldoende oog heeft voor de situatie van de medewerker. Niet in de laatste plaats omdat de begeleiding van de medewerker vaak wordt verlegd naar de afdeling HRM, die veel minder betrokken lijkt te zijn bij de medewerker.

Bij de reïntegratie van een arbeidsongeschikte medewerker na een ongeval is het van belang dat er sprake is van erkenning, begrip en een open communicatie. De werkgever moet zich realiseren dat de medewerker het liefst zo snel als mogelijk weer volledig aan het werk gaat. Daarbij dient er voldoende oog te zijn voor de problemen die zich voordoen en dient de werkgever daar waar mogelijk een oplossing te bieden.

Het succes van een reïntegratie is, behoudens eventuele blijvende fysieke beperkingen, vooral gelegen in het samen doorlopen van het traject dat gevolgd moet worden. Dat ‘samen’ komt ook voort uit de overtuiging van de werkgever, dat de betrokken medewerker na het ongeval nog steeds een belangrijke toegevoegde waarde is binnen de onderneming.

Het gaat om de gezamenlijke aanpak!

Ontwikkelingen

Iemand die geconfronteerd wordt met letselschade neemt in de meeste gevallen contact op met de assurantie tussenpersoon, de rechtsbijstandverzekeraar of de verzekeringsmaatschappij van de wederpartij. De keuze voor wie men benadert is vaak bepalend voor het verdere verloop van de zaak en het beeld dat het slachtoffer daarbij krijgt.

Dat beeld is langere tijd niet altijd positief geweest omdat de betrokken professionals niet echt oog hadden voor het slachtoffer zelf. Het ging vaak meer om de zaak en de discussies daarin dan om het slachtoffer, die vooral de behoefte heeft om de zaak snel en op een passende manier op te lossen.

Mede door de mondigheid van slachtoffers, maar ook door de kritische blik van belangenorganisaties en de overheid is er de laatste 10 jaar veel veranderd. Er is meer persoonlijke aandacht, er is minder discussie over de betaling van een voorschot, er wordt sneller en vaker persoonlijk met het slachtoffer gesproken en er zijn afspraken over de wijze waarop een dossier behandeld moet worden. Ook zijn de betrokken professionals, zowel bij de verzekeraars en bij de rechtshulpverleners meer deskundig en beter opgeleid, waardoor de vakinhoudelijke kwaliteit zich op een hoger niveau bevindt.

Daarbij blijft het wel de vraag, of de regulering, certificering en andere benadering van het slachtoffer in veel dossiers ook daadwerkelijk tot verbetering leidt. Ofwel, is het slachtoffer er inderdaad op vooruitgegaan?

Uit onderzoek naar de tevredenheid van slachtoffers over de wijze waarop hun zaak is behandeld komt vooral naar voren, dat begrip, een luisterend oor, duidelijkheid over de aanpak en voortgang en een voorspoedige afwikkeling essentieel zijn. Deze aspecten zijn te verklaren vanuit de gedachte dat een slachtoffer wordt geconfronteerd met letselschade waar hij niet om heeft gevraagd en graag zo snel als dat mogelijk is, weer verder wil met zijn leven.

Ondanks alle positieve ontwikkelingen blijft het lastig om vooral in de langer lopende en meer complexe zaken tot een goede behandeling en oplossing te komen. Dat heeft onder andere te maken met het (financiële) belang dat de betrokken partijen hebben, de helaas toch nog aanwezige ondeskundigheid en het onvermogen om de essentie van een dossier goed in te schatten, op grond waarvan er daadwerkelijk een oplossing kan worden gevonden.

Het gaat nog te vaak om de verschillen van inzicht tussen de verzekeraar en (meestal) de belangenbehartiger over allerhande onderwerpen, waarbij een gezamenlijke visie op de aanpak ook ontbreekt.

Het slachtoffer echt centraal

Een slachtoffer centraal stellen begint met een open blik, oprechte interesse in de mens en duidelijke informatie voor het slachtoffer over de wijze waarop een letselschade dossier wordt behandeld.

Het is essentieel dat een slachtoffer serieus wordt genomen, waarbij er ook vanaf het begin aandacht is voor de zaken waarmee dat slachtoffer geconfronteerd gaat worden, niet in de laatste plaats in de afstemming met de wederpartij. Een open blik vraagt van de betrokken partijen dat men het slachtoffer zonder achterdocht of vooringenomenheid tegemoet treedt. Het is immers niet het slachtoffer dat de letselschade heeft veroorzaakt, laat staan dat hij of zij de intentie heeft daar financieel beter van te worden.

Oprechte interesse heeft ook in zich, dat er vanuit de situatie zoals die na het ongeval of de medische fout is ontstaan wordt beoordeeld op welke wijze het slachtoffer geholpen kan worden om, voor zover dat mogelijk is, weer terug te keren in het gebruikelijke levenspatroon. Dat vergt soms snelle beslissingen, waarbij de betrokken verzekeringsmaatschappij moet investeren in herstel of begeleiding, ook wanneer dat nog geen directe relatie heeft met de schade.

Die investeringen kunnen betrekking hebben op extra zorg of ondersteuning, dan wel het betrokken blijven bij het werk of de maatschappelijke activiteiten van het slachtoffer. Vanuit de intentie om te helpen moet aansluiting worden gezocht bij het slachtoffer zelf.

Bij het verstrekken van de juiste informatie heeft de belangenbehartiger een primaire taak. Daarbij gaat het om een volledig beeld van het traject dat gevolgd gaat worden, met alle afwegingen en keuzes die daarin worden gemaakt. Ook duidelijkheid over de schade die gevorderd kan worden en de eventuele discussie daarover is essentieel. Verder is het van belang, dat juist de belangenbehartiger er zorg voor draagt dat alle relevantie informatie wordt verzameld en aan de wederpartij beschikbaar wordt gesteld. Daarbij heeft het de voorkeur om samen te werken vanuit één integraal dossier, dat voor alle partijen op dezelfde wijze beschikbaar is.

Het slachtoffer kan zich vooral richten op herstel, resocialisatie en werkhervatting terwijl de belangenbehartiger in goed overleg met de wederpartij afstemt over het financiële en praktische kader daarvan, totdat het mogelijk is om tot een afronding te komen. Ook in de langer lopende en meer complexe zaken kan deze aanpak tot verbetering leiden.

Medische aansprakelijkheid en de rol van de betrokken arts

In mijn praktijk behandel ik regelmatig zogenaamde medische kunstfouten. De dossiers betreffen een diversiteit aan fouten en gevolgen daarvan, die voor de cliënt vaak zeer ingrijpend zijn. Een groot probleem bij de behandeling van deze dossier is de vaak lange doorlooptijd voor de beoordeling van de aansprakelijkheid.

De medische wereld en de betrokken verzekeringsmaatschappijen hebben, vooral naar aanleiding van de negatieve publiciteit, een aantal maatregelen genomen die de snelheid van dit proces moeten bevorderen. Zo zijn er afspraken over de te volgen procedures en de termijnen die daarin worden aangehouden.

Deze afspraken hebben onder ander tot gevolg dat bijvoorbeeld de klachtenregeling van het ziekenhuis laagdrempelig en eenvoudig is geworden. Vaak kan er via internet of persoonlijk eenvoudig een klacht worden ingediend die vervolgens ook binnen een redelijke termijn wordt behandeld en opgelost.

Waar het nog vaak mis gaat, is wanneer de patiënt als slachtoffer het ziekenhuis of de arts aansprakelijk stelt. Want dan volgt er een moeizaam traject van onderzoek en afstemming, dat gezien de doorlooptijd daarvan nog steeds verre van slachtoffer vriendelijk is. Met name de afstemming tussen de betrokken medisch adviseurs en de terugkoppeling daarvan naar de betrokken artsen, levert bij de cliënten veel onbegrip en ergernis op.

Er is dan ook veel voor te zeggen om de rol van de artsen die zijn aangesproken, bij de beoordeling van de aansprakelijkheid te minimaliseren en de medisch juridische toetsing van de gestelde fouten over te laten aan de betrokken verzekeringsmaatschappij en haar medisch adviseur. Die kunnen ook meer objectief bepalen wat er nu wel of niet goed is gegaan.

In de huidige aanpak heeft de arts dan wel zijn ziekenhuis nog vaak te veel invloed op de voortgang van het proces en het standpunt dat verzekeringsmaatschappij inneemt. Dat gaat altijd ten koste van het slachtoffer, die immers alleen is gebaat bij een voorspoedig en een inhoudelijk objectief proces.